• Het laatste wedstrijdverslag stamt uit maart 2020. Maar lijkt uit een ander jaar te komen. Het nieuwe seizoen staat nog wat weifelend te wachten op het begin, als een oudere dame die op anderhalf meter afstand van haar medeshopper probeert een bloemkoolroosje te bemachtigen. Het volgt op een vorig, half afgemaakt seizoen, dat amper werd hervat na de winterstop en werd gesmoord in verliespunten en recht op promotie. Gesmoord in een longvirus die met ingehouden adem werd gevolgd in persconferenties en nieuwe spelregels. De wereld ging op slot, in Noord-Italië speelde plots iedereen catenaccio, terwijl onze regering er ‘voetballend’ onderuit wilde komen. Voor hen die het treft is ademen luxe, terwijl voor hen die moeten zorgen dat het erbij blijft, samenzijn en gezelligheid verboden vruchten zijn geworden. Nergens wordt meer hartstochtelijk geknuffeld, plichtmatig handen geschud. Waar zie je iemand nog de tranen van iemands wang kussen? Zoveel nadruk op de zorg, tot staande ovaties aan toe, dat zorgeloosheid met de staart tussen de benen is vertrokken. Even was ik bang, dat mijn geliefde voetbalspel een wedstrijd van afstandsschoten zou gaan worden. Of houterig als het een verlaten voetbaltafel op een vergeten camping aan de Costa Brava. Even was ik bang dat ik mijn hobby was kwijtgeraakt, zoals ik mijn ouders ooit kwijtraakte op het stand bij Bordeaux. Ik stierf honderd zachte doodjes, tot ik plots onze auto herkende aan de weg naar de boulevard.

    Ook alle andere groene Galliërs stierven zachte doodjes. Haast geruisloos, zoals verdwaalde wespen op een zolderkamer. Geen momenten van onbeperkte mannelijkheid, geen nieuwe input in sterke verhalen voor bij een borrel, geen scheenbeschermers voor gebutste schenen, geen open kansen om te missen. De groene Galliër-wereld was tot nader order gesloten, in één snelle beweging uit het leven van mannen in tanende lichamen gerukt. Af en toe een kleine eruptie met de tenen in het witte zand voetvolleyend, dromend van het kameraadschap gedeeld door vijftien. Maar meestal stil, leeg, onbereikbaar. Tot afgelopen zondag.

    De app van de leider met de aanvangstijd was eigenlijk overbodig. Vijf minuten voor de beoogde vertrektijd zat de halve selectie al aan het tweede bakkie koffie. Zaterdagavond kroop menigeen al vroeg in zijn nest, met de tas al ingepakt in de garage. Vrijdagmiddag kocht ik een hele tros bananen. Donderdagavond lag onze aanvoerder al met zijn band om naast zijn eega in de foetushouding, twee weken geleden schrok onze topscoorder wakker van een droom over het missen van een opgelegde kans, halverwege juni vond onze rechtsback zich, bij het eerste daglicht, terug met zijn neus in het gras van ons sportpark. Ergens in mei raakte onze nummer tien een blikje zo perfect op de buitenkant van zijn rechter dat het kippenvel hem over de rug jaagde. Gister vlak voor het eerste fluitsignaal welde een traan op bij de gedachte aan een verslag. Of we er een beetje zin in hadden.

    Het water had zich elegant verdeeld over de grasmat, de zon scheen ingetogen en de warming-up deed vertrouwd onsamenhangend aan. Dat de doelpalen eruitzagen als de wijsvingers van nicotineverslaafden mocht de pret niet drukken. Dat de lichamen nog niet allemaal op bewegen stonden afgesteld, maakte niemand iets uit. De tegenstanders waren oude bekenden. Zondaghelden uit lang vervlogen tijden. Han Rogier de Vrij, de man met een stem als het geluid van een citruspers en oud-speler van het Borger Zondag van Henk Bos en Lammert Dries. Ik herinner me een buikschuiver van hem, midden jaren negentig, toen hij als linksback een doelpunt maakte. Het kan goed zijn enige ooit zijn geweest, ik ben niet zo van de statistieken. En ook bekend van het zondagvoetbal in Borger Martin Schuiling, sluw en verbaal aanwezig. Beide zijn ze trainer geweest van de verslaggever. Schuiling wilde me nooit centraal zetten, maar altijd op links. Deze vervelende eigenschap lijkt in het DNA van alle trainers en leiders rondom de Hondsrug terug te vinden te zijn. Maar dat terzijde.

    Wij waren behekst, iedereen en alles leek behekst. Niet door de volkszanger Becker, die voorin bij de blauwhemden optrad, maar door het kinderlijke gevoel van vrijheid. Een bal en dan rennen. Een tackle en daarmee ook gewoon iemand aanraken. Ik wil het niet geiler maken dan het was, maar overal op het veld werden duels gestreden met een glimlach op het gezicht. Spitsen lieten zich gewillig in de rug lopen, voorstoppers dekten zonder aarzeling door. Iedereen zocht de kleine ruimte, de één op één.

    De uitslag doet er natuurlijk niet toe. Het werd 1-4. Daar in Stadskanaal. Nee, dat deed er niet toe. Wel lekker, maar compleet onbelangrijk. Zo’n dertig mannen voelden zich als een jonge vader, die eindelijk weer in de aura van zijn vrouw mag treden. Als een schipper, na een halfjaar weer voet op vast grond zet. Als een gevangene die na zijn straf de poort uitloopt. Uitgelaten en opgelucht tegelijkertijd. Alsof er iets in het lichaam weer ademhaalt, energie tankt. Alsof er iets weer begint te functioneren, waarvan je de werking compleet was vergeten. Het opvullen van gemis dat zo razendsnel gebeurt dat je tenen er van beginnen te tintelen. Ik kan het genot niet genoeg benadrukken, niet genoeg beschrijven. Een vulkaanuitbarsting is het niets bij. Zelfs de geur van bezwete kleding in mijn auto onderweg naar de wasvrouw, begroette ik met nostalgisch plezier.
    Heel even overwoog ik de was zelfs een dagje later te brengen.

    We mogen dus weer. Wij, jochies, in lijven die piepen en kraken, met hoofden vol nooit gemaakte doelpunten. Wij groene Galliërs, zijn eindelijk weer groene Galliër. En afgelopen zondag was één grote oerkreet, één masculiene eruptie, waarvan, zo verzeker ik u, nog vele zullen volgen. Zondag aanstaande wacht een bekerduel.