• Eerste thuiswedstrijd groene Galliërs

    De mistdampen waren net vetrokken toen uw verslaggever het sportpark de Drift aandeed. Hamstringklachten en een vooruitzicht op een marathon weerhielden de verslaggever van meevoetballen deze zondag. Maar de eerste thuiswedstrijd wil je natuurlijk niet missen. Dus fungeerde ik als koffie-host en kantinevrijwilliger. Met de gewassen en keurig gerangschikte shirts in mijn rechterhand liep ik het kantinegebouw in. Buiten kraakte een klein vrieslaagje in het door een briesje aangewakkerde gras van het sportpark. De velden lagen er prachtig mij, onberispelijk als het hoeslaken van mijn kinderbedje in het ouderlijke huis. Ik was vroeg en alleen. En onder een steeds opgewektere zon hoorde ik de lokroepen van de velden. In half vervlogen zinnen fluisterden ze dat ik mijn tas moest ophalen, dat het zo mooi weer, dat de Galliërs me nodig zouden zijn.

    Toen een minuut of tien later de eerste jongens arriveerden, werd de stemming minder mystiek. Uitgelaten groetten de mannen elkaar, breed glimlachend werd er van de kantinekoffie genoten, koffie die doet denken aan gestoofde binnenband met een vleugje motorolie en dikwijls halverwege wordt weggegooid in de trouwe vuilnisbakken aan de Drift. Ronald de Weerd durfde het weer aan om te vlaggen. Een helftje, want je moet natuurlijk niet gelijk al je kruit vervlaggen. De eenhandige burpee die de raschauffeur steeds dient uit te voeren bij een tegenaanval die op het randje tot stand komt, valt niet te onderschatten. Het is een soort deadmanslift vanuit een mountainclimber-achtige houding en die met, een term geleend uit de dressuur, een hele piaf moet worden afgesloten. En dat per helft toch al gauw zo’n twintig keer. Dat red je net op een dieet van gehaktballen en wegrestaurantsaucijzenbroodjes. De vlagspecialist, op zijn cv prijken een keur aan kelderklasse-clubs, wist toen nog niet dat de spelers van Veelerveen zouden gaan veensteken rond de eigen zestienmeter. Twee sluizen van loopgraven voor vijf uit de kluitengewassen veenarbeiders met een ingebakken dorst. Hij had erg weinig te doen, maar liet zich derhalve in de rust toch vervangen door één van de wisselspelers. Zijn rentree was eigenlijk uiterst saai. Hij hoefde niet gemeen en scherp te vlaggen. Hij kreeg geen uitroepen vol onbegrip op zich af gevuurd, hij kon geen interactie aan gaan met de scheidsrechter. Het was kortom, een rentree zonder kleur. Anoniem en zonder zweetdruppels. Maar hij stond er weer. Volgende week moet een uur er inzitten.

    De noeste Veelerveners bleven volharden in hun ingraaftactiek en de groene Galliërs zochten onzorgvuldig naar openingen. Een belegering zonder echte urgentie, een omsingeling zonder wapens. Van het kastje naar de muur en weer terug, maar nooit door die muur heen. Nooit over de kantelen heen. Het gevolg was een bloedeloze 0-0. Een paar testosteron-gevoede opstootjes, maar geen aanvallen met ontblote tanden, geen schoten met precisie, geen gemoed gericht op afmaken.

    In de rust was het druk voor uw verslaggever. Snel thee serveren voor beide teams, koffie en lekkers aan de toeschouwers en toeschouwertjes en tussentijds met een lichtgeblesseerde Wever de mogelijke aanvalstechnieken doornemen. Doorgaans plant ik mijn kont op de kleedkamerbank, buig ik mijn hoofd voortover en friemel ik nog wat aarde uit de binnenkant van mijn afgezakte voetbalsokken. Zonder veel gedachten pak ik een bekertje hete thee en blaas wat. Maar nu kreeg ik niets mee. Schonk ik wat koppen koffie in voor oude getrouwen en Gallische familieleden die vooral op het mooie weer waren afgekomen. Ik kreeg niets mee van Brussen die in zijn spijkerbroek graait naar een aansteker. Niets van een mijmerende Vincent. Een positief krachtige boodschap van Remco. Een bevestiging daarvan door Bijker. Ik hoorde Wilbert niet, met de vraag: “Iemand pijntjes?”. Maar weet dat elke zondag het antwoord bij iedereen in het hoofd “natuurlijk’ is, maar niemand een kik geeft. Ik kreeg niets mee van het gevoel dat er heerste, ik gaf de zoontjes van mijn mede-Galliërs Moam.
    De tweede helft bleef het mooi weer en stelde Veelerveen zich weer op langs twee veenwegen dichtbij hun keeper. Aanvoerder Vincent Wever viel in en dat was over het hele veld hoorbaar. Waar men de eerste helft stilletjes als een rustig herfstbriesje over het veld heen bewoog, was nu iedereen bij de les dankzij een spervuur aan commando’s. Onze aanvoerder overal te horen. “Zak in, draai, je bent vrij, haal hem er uit”, woorden die in een andere context vreemd aan doen, maar voor alle teamgenoten compleet helder waren. Er kwam weer lijn in het spel, meer leven. Bulthuis wist weer wat scoren was en gaf kort daarna een voorzetje op Maikel Dam die functioneel afwerkte. 2-0. En veel meer is er over de wedstrijd niet te zeggen.

    Al snel stond ik biertjes te tappen voor wat trouwe supporters, een dichter uit Buinen, een nieuw “vrienden van”-lid en een wereld vrijwilliger. Barverhalen doorkliefde wedstrijdverhalen, melancholie werd in gulzige slokken burgemeester gemaakt. Namen van oude cafés en overleden wanbetalers doodden de tijd nieuwe taprondes. Terwijl de groene Galliërs het gras van het hoofdveld van hun lijven boende, zoveel lekkerder dan een bijveld, stond ik gehaktballen uit de jus te vissen. Volgende week zondag loop ik een marathon in Amsterdam en daarna ga ik gewoon weer een voetballende groene Galliër zijn. Niet vanaf de zijlijn, niet vanuit de kantlijn. Jongetjes dromen van winnende doelpunten, niet van een fantastische gehaktballenverkoop.